Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN uva.nl

Geheugendetectietechnieken testen of iemand specifieke daderkennis heeft. Wetenschappelijke experimenten hebben de betrouwbaarheid bevestigd, maar in hoeverre zijn de resultaten te generaliseren naar de praktijk? Linda Geven promoveert op dit vraagstuk op 6 september 2019.

Kunnen geheugendetectietests onderscheid maken tussen schuldige en onschuldige verdachten en daarmee foutieve veroordelingen voorkomen? Dat is de hoofdvraag in het promotieonderzoek van Linda Geven

Bij geheugendetectie krijgen mensen een multiplechoicetest met bijvoorbeeld vijf antwoorden op de vraag wat het moordwapen was (mes, vuurwapen, hamer). Ieder antwoord komt tien tot twintig seconden in beeld. 

Geven: ‘Als de dader het wapen herkent, krijgt hij of zij zweethandjes en een lagere hartslag en ademhaling. Dat laatste is inhibitie, om te onderdrukken dat de herkenning er is. Als je neutraal tegenover het antwoord staat, gebeurt er weinig. De techniek is goed voor onschuldige mensen omdat de kans dat je systematisch op ieder juist antwoord reageert (terwijl je van niets weet) statistisch gezien heel klein is.’

Vergelijken met echte misdadigers

Tot nu toe vond de test plaats in een laboratorium met een artificiële misdaad. ‘Mensen weten dan dat ze alle details goed moeten onthouden en dit maakt het lastig vergelijken met echte misdadigers, die op eigen initiatief iets doen wat niet mag.’ 

In het promotieonderzoek kregen deelnemers een quiz met tien vragen. Beantwoordden ze alle vragen goed, dan kregen ze vijf euro. Wat de deelnemers echter niet wisten, is dat de laatste twee vragen onmogelijk te beantwoorden zijn. De helft kreeg te horen dat ze Google mochten gebruiken, de andere helft niet. Geven: 'Die laatste groep is de groep waar het om gaat. Zij zijn vergelijkbaar met misdadigers. Als zij de laatste vragen goed hebben, hebben ze ‘valsgespeeld’ door Google te gebruiken.'

In het onderzoek ontdekte Geven dat ze precies hetzelfde reageren als de deelnemers van de eerste groep. Dit betekent dat er weinig verschil is met de lab-situatie en dat de test in het echt dus ook goed zou moeten werken. ‘Dit is een positieve conclusie maar er zitten wel een aantal haken en ogen aan. Zo is het in de praktijk lastig om daderkennis buiten het publieke domein te houden. Door de media kunnen mensen van alles weten van een misdrijf en dat kan de resultaten beïnvloeden.’

Samenwerken met politie en justitie

Het is daarom belangrijk om naar gedetailleerde informatie te vragen. ‘Onschuldige mensen weten bijvoorbeeld dat er een auto is gestolen, maar niet wat voor auto. Dat weet alleen de schuldige. Om te weten of dit goed werkt is verder onderzoek nodig.’ 

Geven zou daarvoor graag samenwerken met politie en justitie. ‘Dan moet er wel een framework komen voor de test. Er moeten bijvoorbeeld specifieke details zijn die de dader kan herkennen. Ook kun je de test niet bij elke misdaad gebruiken. Bij een verkrachting kunnen beide partijen aangeven dat de daad heeft plaatsgevonden. De vraag is alleen of het vrijwillig was of niet. In zo’n geval werkt de test niet omdat er geen sprake is van herkenning van daderinformatie. Bij een moord of vermissing is dat anders.’

Geheugendetectie meet de herkenning. De test bepaalt niet of je schuldig of onschuldig bent. ‘De test kan dienen als steunbewijs in de rechtszaal, maar het kan vooral helpen bij de opsporing. Met de resultaten kun je verder in het onderzoek of verhoor in.’

Geven was vooral geïnteresseerd in het onderscheiden van dader en onschuldige op een valide manier. ‘Ik wil voorkomen dat we fouten maken. Hoe kunnen we schuldigen en onschuldigen echt onderscheiden? In bepaalde gevallen kan de test helpen. Samenwerking met politie en justitie is wel noodzakelijk en ik zou graag samen kijken of het kan werken voor toepassing in de praktijk. Dat is de stap naar de toekomst.’

Linda Geven promoveert op 6 september 2019 om 14:00 uur in de Agnietenkapel.